Onvoltooid
Dit verhaal heb ik nooit afgeschreven. Aan het eind wel een terugblik met wat er mis ging en hoe het ongeveer verder zou zijn gegaan.
# Overblijfselen
# Hoofdstuk 1
John zat voorovergebogen met zijn ellebogen op zijn knieën en staarde naar de kale betonnen vloer. Hij realiseerde zich dat hij al een tijd op zijn lip beet. Geïrriteerd stond hij op en liep de wachtruimte op en neer. Hij stopte bij het kleine raampje en tuurde naar buiten. Malabo Airport was uitgestorven. Hij zuchtte en ging weer op de ongemakkelijke houten bank zitten. Zijn keel was kurkdroog. In het vliegtuig had hij een zakje zoute pinda's gehad; daarna had hij de stewardess niet meer gezien.
Hoe lang zou hij het in deze hitte nog uithouden? Wie weet wanneer ze die verdomde piloot eindelijk gevonden hadden. Hij had nu lang genoeg gewacht. Hij stond weer op en liep met grote passen naar de deuropening. Er moest hier ergens toch wel iets te drinken te vinden zijn?
Toen hij haar zag, was het al te laat om in te houden. Ze botsten tegen elkaar op en zij liet haar kleine koffer uit haar handen vallen. Hij ving de subtiele geur van haar exotische parfum op. Hun gezichten waren vlak bij elkaar en hij keek recht in haar sprekende, donkerbruine ogen. Hij was even van zijn stuk gebracht maar herstelde zich snel.
‘Sorry! Gaat het?’ zei hij, instinctief in het Nederlands beginnend.
Ze blies een diepe ademteug uit. Toen ontspande ze en lachte. ‘Wow. Ja, niks aan de hand.’
Hij pakte haar koffer op en zette hem in de hoek van de wachtruimte, naast zijn eigen weekendtas. ‘Ga je ook naar Pioneer Epsilon?’
‘Ja. Ze zeiden dat ik de helikopterpiloot hier kon vinden?’
‘Dat was een leugen. Ze zijn 'm al een half uur kwijt. Ik wilde al bijna gaan zwemmen.’ bromde hij.
Haar lach werd breder en ze stak haar hand uit. ‘Ik ben Kiani.’
‘John. Ga zitten.’
Hij nam weer plaats en zij plofte neer op de bank schuin tegenover hem. Haar koffiekleurige huid glansde in het zonlicht. Hij schatte haar begin dertig. De vele rijen kleine vlechtjes die plat over haar hoofd liepen gaven haar een Afrikaanse uitstraling.
Ze pakte een flesje water uit haar handtas, nam een slok en bood het hem aan. ‘Maak maar op hoor, ik heb er nog een.’ Hij nam het dankbaar aan en dronk het in een paar flinke teugen leeg.
Ze keek hem opgetogen aan. ‘Zo, wij worden dus collega's?’
‘Ik hoop het wel. Anders zit ik twee maanden opgescheept met alleen maar zweterige kerels.’
‘Andere zweterige kerels bedoel je.’ Een plagerige grijns verscheen op haar gezicht. Ze boog voorover en raakte even zijn knie aan. Zijn oog viel op het kettinkje om haar hals, met een kleine, zwarte hanger eraan. Ze zag zijn blik, pakte de hanger en liet hem zien. Hij had de vorm van een gebalde vuist.
‘Da's m'n ogri ai krara. Tegen het boze oog.’
‘Jaja... en hoeveel boze ogen heeft-ie al tegengehouden?’ zei hij geamuseerd.
Ze deed alsof ze diep beledigd was en drukte de hanger tegen haar borst. ‘Ja, lach maar. Als het noodlot toeslaat, ben ík tenminste beschermd!’
Even betrok zijn gezicht. Hij had nooit geloofd in iets als noodlot, maar het afgelopen jaar had dat ongeloof zwaar op de proef gesteld.
‘Ik heb je niet gezien in het vliegtuig.’ zei hij.
‘Ik kom uit Miami. Daar heb ik de veiligheidstraining gedaan.’
‘Hadden jullie ook zulke infantiele instructievideo's?’
‘Ben, de onhandige offshorewerker? Wat ontzettend fout hè, geweldig!’
Weer die stralende lach. Maar hij zou zich niet laten inpakken door haar charmes.
‘Miami... woon je daar?’
‘Nee, ik kwam van Curaçao. Ik was op een soort lange vakantie.’
‘En toen dacht je ineens: ik wil een baan op een olieplatform!’
‘Nee, niet echt. Ik ben psychiater, niet bepaald een logische stap.’
‘Psychiater? Waar hebben ze jou voor nodig dan?’ vroeg hij verbaasd.
‘Geen idee! Maar ik zag een advertentie, en het leek me wel avontuurlijk. Je weet nooit wat je tegenkomt. Of wie.’ Een pauze en een lachje. ‘En jij, waarom heb jij jezelf hierheen verbannen?’
‘Verbannen is het goeie woord ja. We zijn straks echt van alles en iedereen verlaten. Blijkbaar heb ik daar behoefte aan.’
‘Oh, moet ik weer weggaan?’
‘Ik denk dat ik je nog wel een paar minuten kan verdragen.’
‘En wat doe je?’
‘Ik zit in de beveiliging.’
‘Een psychiater en een bewaker... Dan lopen er kennelijk een stel gevaarlijke gekken rond daar!’
Hij lachte. ‘Ja, ik vang ze, jij spuit ze plat.’
Ze begon ook te lachen, maar keek toen op naar de deuropening. Er stond een korte, stoïcijns kijkende man met haar tot net boven zijn schouders en een flinke stoppelbaard.
‘Buen día. You fly to Pioneer Epsilon?’
‘Right! You're the pilot?’
‘Si.’
‘I'm Kiani, and this is John.’
‘Javier. Come on.’ Zonder op antwoord te wachten beende hij weg. Ze keek even verbaasd naar John, pakte toen haar koffer en volgde haastig de piloot. Enigszins geërgerd kwam John ook overeind. Hij deed rustig aan met zijn tas. Toen hij bij de helikopter kwam, zat Kiani al binnen. De piloot gebaarde ongeduldig waar hij zijn bagage moest stoppen, drukte een zwemvest in zijn handen en werkte hem naar binnen.
Minutenlang versnelden de wieken. Javier sprak in het Spaans met de verkeersleiding, zette af en toe een knop om en zat de rest van de tijd verveeld op het dashboard te trommelen. Kiani keek juist enthousiast om zich heen, alsof ze geen enkel detail aan haar aandacht wilde laten ontsnappen. John dacht alleen maar aan de safety training, waar hij had geleerd uit een zinkende helikopter te ontsnappen. Het stelde hem niet gerust.
Ze riep iets tegen hem, maar hij verstond het niet. Ze wees uit haar raampje, waar over de zeestraat een berg te zien was en schreeuwde een woord. Na twee keer realiseerde hij dat ze ‘Kameroen’ zei. Hij knikte en probeerde te glimlachen, maar wist dat de nervositeit van zijn gezicht af te lezen was. Plotseling voelde hij zijn maag zakken. Ze waren los van de grond en begonnen snel te stijgen. Hij keek naar de piloot, die geroutineerd een serie handelingen uitvoerde met de verschillende hendels en pedalen. De helikopter draaide en al snel lieten ze het vliegveld achter zich.
Toen de helikopter op hoogte en snelheid was gekomen, ontspande John wat en keek om zich heen. De begroeiing werd hoe langer hoe dichter, tot er alleen nog maar een tapijt van tropisch regenwoud te zien was. Hier en daar werd het onderbroken door een rivierkloof. Het vormde een idyllisch plaatje, maar hij wist dat de verschillende bomen en struiken onder hem verwikkeld waren in een trage strijd om het kostbare zonlicht.
Ze passeerden een aantal onverharde wegen; de verkeersaders van Bioko. Ze leken verlaten. Aan een van de wegen lag een klein dorpje, omringd door oerwoud.
De nieuwe indrukken volgden elkaar in hoog tempo op, en John had moeite alles in zich op te nemen. Ze kwamen langs een kust, met rotsachtige stranden, palmbomen en mangroves. Opmerkelijk dat de toeristische industrie hier nog geen voet aan de grond had gekregen. John hoopte dat het hier over twintig jaar nog zo ongerept uit zou zien.
Na een tijdje de kust gevolgd te hebben, vlogen ze weer over land. Geleidelijk aan werd het heuvelachtiger, tot ze over een langwerpige, puntige bergrug heen kwamen. John realiseerde zich dat het de rand van de enorme vulkaankrater moest zijn die hij op de kaart had gezien. Hij vroeg zich af of er de komende tijd gelegenheid zou zijn om naar Bioko terug te keren om deze indrukwekkende landschappen van dichtbij te bekijken.
Uiteindelijk bereikten ze de zuidkust van het eiland, en toen was er alleen nog maar oceaan. Vanaf hier was het een monotone aangelegenheid, een lange blauwgroene vlakte waar geen eind aan kwam. Vermoeid staarde hij uit het raampje.
Ineens werd hij overvallen door een gevoel van melancholie, schijnbaar zonder aanleiding. Het zwol langzaam aan tot een intens maar onbepaald gevoel van verdriet. Het verwarde hem. Hij wilde niet dat Kiani hem zag en keek strak uit het raampje naar de lage golven onder hen. Gelukkig probeerde zij een gesprek aan te knopen met Javier. Na een paar minuten ebden de heftige gevoelens geleidelijk weg. Ze maakten plaats voor een lichte hoofdpijn en af en toe zwarte vlekken voor zijn ogen. Blijkbaar had de reis hem toch meer vermoeid dan hij dacht. Hij hoopte vannacht in een beetje redelijk bed terecht te komen.
Na nog zeker een kwartier vliegen stootte Kiani hem aan en zag hij in de verte het kunstmatige eiland liggen dat de komende twee maanden hun thuis zou zijn. Langzaam kwam het dichterbij en werden details zichtbaar. Het platform rees meer dan tien meter boven het water uit op een heleboel dikke, rode kolommen. Er sproten meerdere gele kraanarmen van af; uit een ervan kwam een enorme vlam. Aan een kant stond een gebouw van meerdere verdiepingen en in het midden stond een hoge, witte toren. Het gaf de indruk van een verschrikkelijk mechanisch monster dat, na jaren sluimeren op de zeebodem, door een onbezonnen menselijke actie was ontwaakt en uit de diepte opgerezen om dood en verderf te zaaien.
Aan de zijkant van het platform stak een helikopterlandingsplaats uit. Ze koersten af op de grote gele cirkel. Een man op het platform gebaarde met zijn armen en op zijn aanwijzingen zette Javier de helikopter behoedzaam aan de grond. Terwijl de wieken op volle snelheid doordraaiden, maakte hij duidelijk dat ze uit moesten stappen. Juist op dat moment ging John's deur open en werd hij naar buiten begeleid door een nors kijkende vijftiger in een gevlekte blauwe overall. De kracht van de lucht die door de wieken naar beneden werd geslagen, was enorm. De man pakte hun bagage en John volgde hem, weg van de helikopter. John zag dat Kiani aan de andere kant was opgevangen door een wat jongere man, rond de veertig, die een stuk netter gekleed ging.
De helikopter steeg op en zette weer koers naar het eiland. Een relatieve rust daalde over het platform. Nu pas konden ze de andere geluiden horen: het gebrom van machines, het gebonk van metaal tegen metaal, en golven die beukten tegen de basis van het platform. Er hing een zweem van teer in de lucht.
De jongere man stak zijn hand uit naar John. ‘Hai, ik ben Ralph, en dit is Robin.’ Hij keek heen en weer tussen hem en Kiani en glimlachte. ‘Was de reis een beetje oké? Ik vind het altijd een verschrikking, zeker dat laatste stuk. Maar goed, jullie zijn er, kom verder.’
Robin liet hun bagage op het platform vallen en liep weg zonder een woord te zeggen. Ralphs blik verstrakte een moment. Toen lachte hij geforceerd naar John en Kiani en pakte de koffer en tas op. ‘Robin kan soms wat stug zijn, je moet het hem maar niet kwalijk nemen. Hij valt erg mee als je hem leert kennen.’ Hij knipoogde even naar John. ‘En we kunnen niet zonder hem, hij is de beste OIM die er is.’
‘OIM, dat is eigenlijk de kapitein, toch?’ vroeg Kiani.
‘Ja, klopt. Sorry, slechte gewoonte van me, nieuwkomers om de oren slaan met vaktermen.’
‘En wat is jouw functie precies?’ vroeg John, met een blik op zijn keurig gestreken overhemd en crème broek.
‘Ik zit hier namens de eigenaar van het platform, Extract Innovations, als een soort toezichthouder. Je kunt je wel voorstellen hoe populair ik ben bij de mensen die het echte werk doen.’
Hij reikte in de schoudertas die hij bij zich droeg en gaf ze allebei een groene veiligheidshelm. ‘Altijd dragen als je buiten bent. Jullie krijgen zo nog veiligheidslaarzen. Niet echt flatteus,’ zei hij verontschuldigend richting Kiani, ‘maar beter dan een stel verpletterde tenen.’
Hij ging ze voor, een metalen trap af, terwijl hij snel verder praatte. ‘Ach, het valt ook allemaal wel mee hoor. Het zijn bepaalde types hier hè, stoere mannen die geen boodschap hebben aan figuren zoals ik. Daar moet je een beetje doorheen prikken. Ik vind het juist een uitdaging om iedereen aan boord te houden.’ Hij lachte. ‘Beetje ongelukkig uitgedrukt, maar je begrijpt het.’
Er volgden nog een aantal trappen naar beneden, alsof ze net geland waren op het dak van een flat en nu via de brandtrap naar straatniveau afdaalden. Ze werden omringd door een landschap van buizen, stellages en zware machinerie.
Ze stapten de trappen af en betraden het hoogste niveau van het olieplatform. Ralph draaide zich om. ‘Ik weet niet hoeveel jullie al weten over Pioneer Epsilon?’
‘Vrijwel niets. Ze deden nogal geheimzinnig bij de sollicitatie.’ zei Kiani.
‘Klopt! Niet dat er iets niet door de beugel kan hoor. Integendeel. Dit is een researchplatform. We doen hier onafhankelijk onderzoek naar nieuwe winningsmethoden. Veiliger voor mens en natuur. We hebben zelfs een zeebioloog aan boord.’
John lachte. ‘Laat me raden: jullie zijn onderdeel van de oplossing, niet van het probleem?’
Ralph hield verontschuldigend zijn handen op. ‘Ja sorry, ik heb soms de neiging om in marketingpraat te verzanden. Dat moet je me maar niet kwalijk nemen. Maar geloof me, we zijn hier echt goed bezig.’ Hij keek opzij naar twee mannen die een grote kist die aan een kraan hing naar de grond begeleidden. ‘En de sfeer is over het algemeen prima. Het is eigenlijk gewoon een dorp. Je kunt van elkaar op aan.’
Ineens wendde hij zich nadrukkelijk tot John. ‘Dat is belangrijk, vind je niet John? Als je je collega's niet kunt vertrouwen, is er echt iets mis.’
* * *
5 weken geleden
John rilde even. Mistflarden bedekten het gemillimeterde gazon. Een zwak zonnetje leek de nieuwe lente aan te kondigen. Een colonne blauwe uniformen schuifelde traag voorbij.
Een nogal corpulente man met een grote bril op veegde een traan van zijn wang. Hoofdinspecteur Van der Kamp. John kende hem vroeger als 'oom Albert'. Op zijn zesde verjaardag had hij een grote politieauto van hem gehad.
Er volgden een aantal jongere agenten; respectvol maar duidelijk niet op hun gemak. Een paar knikten hem bemoedigend toe, maar er waren er ook die hem resoluut negeerden.
Op de kist lagen een gehavende politiepet en een zwart fluwelen kussen met een penning. In een halve cirkel rondom het graf waren vele grote bloemstukken uitgestald. Elk had een eigen lint: ‘Collega's Patijnlaan’, ‘Tactische recherche’, ‘Korps Hollands Midden’.
John stond gelaten te wachten tot het ritueel voorbij was. De andere aanwezigen hadden verwachtingen van hem, en hij zou ze niet teleurstellen. Hij zou de toegewijde zoon zijn die het moeilijk had maar zich koste wat kost goed wilde houden.
Zijn moeder, een van de weinige aanwezige vrouwen, klampte zich vast aan zijn arm. Haar schouders schokten. John schrok van zijn eigen gebrek aan mededogen voor haar. Had ze werkelijk van die man gehouden? Of huilde ze alleen omdat ze de plotselinge verandering niet aankon?
Frank Rothuizen, een boomlange man met een dikke grijze snor, sloot de rij af. Hij liep naar hen toe en legde een hand op de schouder van John's moeder, die dankbaar naar hem opkeek. ‘Emily... mijn oprechte deelneming. Hij was een goed man. Veel sterkte.’ Hij wendde zich tot John. ‘Ik heb je vader nog nooit zo trots gezien als de dag dat je rechercheur werd. Je betekende veel voor hem.’
De begrafenisondernemer ging hen voor richting de zaal waar de koffie klaarstond. Rothuizen hield John even tegen. ‘Ik moet je even spreken.’
‘Kan dat niet tot maandag wachten?’ vroeg hij.
‘Dit niet. Ik weet dat de timing ellendig is. Of misschien is het juist goed zo.’
Ze liepen terug de begraafplaats op. Rothuizen aarzelde even en keek hem toen indringend aan. ‘Voor ik zeg wat ik ga zeggen, moet je weten dat ik volledig achter je sta.’
‘Wat is het, Frank?’
Rothuizen's gezicht kreeg er een aantal rimpels bij. ‘Bureau Interne Zaken is bezig met een onderzoek naar aanleiding van een anonieme tip. Jouw naam is daarbij genoemd.’
John's hartslag versnelde, en hij voelde zijn handen klam worden.
‘Wat voor onderzoek? Word ik ergens van beschuldigd?’
‘De details weet ik nog niet, maar ik kom er wel achter. Kom maandagochtend meteen langs, oké?’
John knikte. Rothuizen pakte zijn arm.
‘John, ik ken je al je hele leven. Maak je geen zorgen. We gaan dit oplossen.’
* * *
De zon stond laag aan de horizon en kleurde de lucht een betoverend oranje. De weerspiegeling deed de oceaan fel schitteren.
Ze waren richting de centrale boortoren gelopen, een groot stalen skelet van een paar verdiepingen met een smalle toren erbovenop. Een groepje mannen in overalls waren stukken pijpleiding aan elkaar aan het koppelen.
‘Baaf!’ schreeuwde Ralph over de herrie heen. Een jongen van begin twintig keek om. Ralph wees op John en Kiani en de jongen knikte. Toen wendde hij zich weer tot hen. ‘Ik moet rennen, heb een bespreking. Bavelaar helpt jullie verder.’ Met stevige tred ging hij er vandoor.
John zag dat Kiani een beetje afwezig naar de horizon staarde. ‘Hee, ben je nog wakker?’ riep hij.
Ze keek om en glimlachte. ‘Nauwelijks. Wat heb ik gemist?’
‘Niks. Een hoop technische details.’
Bavelaar kwam op ze af gelopen met een brede grijns. Hij stak een met olie besmeurde hand op en ging ze voor, weg van het lawaai. Ze kwamen terecht aan de rand van het platform tegenover die waar ze geland waren. Ook hier was alleen maar zee te zien tot de horizon.
‘Bavelaar dus?’ zei John. ‘En je voornaam?’
‘Heb ik een hekel aan. Iedereen zegt hier Baaf.’ Hij sprak Kiani aan. ‘Een paar van de mannen willen weten of je single bent.’
John vond het nogal brutaal. De vraag deed hem terugdenken aan zijn schooltijd. Desalniettemin was hij benieuwd naar het antwoord. Kiani reageerde poeslief. ‘Oh, een paar van de mannen? Waaronder jij?’
Bavelaar schudde zijn hoofd, ineens serieus. ‘Nee man, ik ben verloofd, weet je. Mijn schatje zit thuis. Maar ze gaven me twintig euro als ik het zou vragen.’
‘En wilden ze het ook van John weten?’ zei ze met een ondeugende blik in zijn richting. John werd zich bewust van zijn trouwring. Die had ze natuurlijk allang gezien. Zoiets ontgaat vrouwen niet.
Bavelaar ging er niet meer op in. ‘Willen jullie echt nog de hele rondleiding, of zal ik alleen effe snel de reddingsboten laten zien? Kan me voorstellen dat jullie honger hebben, en de kantine gaat zo open.’
Ze knikten instemmend en Bavelaar leidde ze verder het platform over, hier en daar wat aanwijzend. Bij de reddingsboten legde hij de vluchtroutes uit.
Plotseling klonk er achter hen een harde brul. ‘Pas op! Omlaag!’ Instinctief draaide John zich om richting de bron van het geschreeuw. Robin, de oudere man die ze bij de helikopter geen blik waardig had gekeurd, kwam voorover gebogen op hem af rennen.
Een zware stalen pijp die aan een kraan hing, zwaaide vlak langs John's hoofd. Toen werd hij omver getrokken door Bavelaar en kwam hij pijnlijk neer op het geribbelde staal van het platform. Kiani zat op haar hurken en keek hem geschrokken aan.
Boven zijn hoofd hing de vijf meter lange pijp nog steeds vervaarlijk heen en weer te zwaaien. Uiteindelijk werd hij omhoog getakeld en ze kwamen overeind. Robin kwam vlak voor hem staan en keek hem woest in de ogen. ‘Als ik zeg dat je je hoofd omlaag moet doen, dan doe je dat, begrepen? Je gaat daar niet wezenloos om je heen staan te kijken!’
‘Ik had niet door...’
‘Nee, dat is duidelijk! Ik ben verantwoordelijk als jou iets overkomt, dus je doet godverdomme wat ik zeg!’
John kwam enigszins bij en voelde nu woede in zich opkomen. ‘Hoe kon die pijp daar uberhaupt hangen? Daar ben je ook verantwoordelijk voor!’ zei hij tegen Robin.
‘Ik kan niet iedereen elke seconde in de gaten houden! Ik zeg al maanden tegen Ralph dat we meer ervaren mensen moeten hebben, maar er is nooit geld. Maar we kunnen wel nóg twee nutteloze groentjes aan boord te halen! Alsof we niet genoeg problemen hebben.’ Hij draaide zich om en liep weg in de richting van de kraan.
‘Ben je oké?’ vroeg Bavelaar aan John.
‘Gebeurt dit vaker hier?’ vroeg hij. Hij probeerde weer wat rustiger te worden, maar de adrenaline van het bijna-ongeluk en de aanvaring met Robin stroomde nog door zijn lijf.
‘Dit is wel uitzonderlijk. Maar er gaat de laatste tijd wel veel mis ja. Het valt iedereen op. Je moet voortdurend op je hoede zijn. Als je echt gewond raakt, ben je niet snel in het ziekenhuis, weet je.’
Ze liepen nu snel door en kwamen uit aan de andere kant van het gebouw waarlangs ze waren afgedaald. Bavelaar sloeg met zijn vlakke hand op de metalen zijmuur en deed zijn best om weer een luchtige toon op te zetten. ‘Zo. Hier gebeuren de écht belangrijke dingen: eten, slapen en poolen.’
Ze gingen naar binnen. Het interieur had veel weg van een ouderwets kantoorgebouw. Ze liepen door een lange, claustrofobische gang met een aantal zijdeuren. ‘Hier zit de EHBO, en de rest zijn vooral werkkamers.’ zei Bavelaar. Aan het einde van de gang was een deur naar een trappenhuis. Ze gingen naar binnen en liepen de trap op.
‘Hier zijn de slaapkamers. Jullie zitten allebei in de eerst gang rechts, nummers 14 en 10.’ Hij wees hierbij John en Kiani aan. ‘Het zijn stapelbedden, en ik denk wel dat jullie een kamergenoot hebben, het is behoorlijk druk. De badkamers zijn aan de andere kant.’
Ze namen de volgende trap. ‘En hier is-ie dan, de kantine! Verder is daar de pooltafel, ping-pong, en wat fitnessapparaten.’
‘Wat is er op de bovenste verdieping?’ vroeg John.
‘Oh, daar zitten laboratoriums. Daar kom ik nooit.’ Hij wees naar de kantinedeur. ‘Als ik jullie was, zou ik aanvallen voor de hongerige troep komt aanstormen. Als je niet snel bent, is het vlees op. Ik ga nog effe snel douchen. Smakelijk!’
* * *
‘Het gaat over de zaak Stolar uit 2007.’ Rothuizen gooide een map over zijn bureau richting John, wat een flinke stofwolk veroorzaakte.
John pakte de map op en opende hem. Hij bladerde wat en keek toen op naar de commissaris. Hij kneep met zijn ogen tegen de laag staande zon. ‘Zegt me niet direct wat... wat had hij uitgevreten?’
‘Het stelde eigenlijk niks voor. Hij werd gepakt in een nachtclub met veertig gram coke. Domme actie van hem, maar niet iets waar een rechercheteam op gezet wordt.’
‘Dan heb ik er dus niks mee te maken.’
‘Maar je kende Stolar toen al wel?’
‘Ik had hem jaren niet gezien.’
‘Oh, toen was je nog niet met...’
‘Nee.’ zei John, iets te scherp. Hij keek zijn chef doordringend aan. Dit gesprek verliep hem iets te veel als een verhoor.
Rothuizen leunde achterover in zijn stoel, wreef met zijn handen over zijn gezicht en zuchtte. ‘Je moet dit wel serieus nemen. Samen met die geruchten uit je verleden...’
‘Jij hebt me al bij voorbaat veroordeeld, hè? Ik dacht dat je me steunde!’
‘Ik bedoel alleen dat je je hier tegen moet verdedigen.’ zei Rothuizen sussend.
‘Wáártegen, Frank?’
‘Er is gerotzooid met het bewijs. Het grootste deel van die coke is verdwenen. Stolar kwam er met een boete vanaf.’
‘Okee, hij ontliep een paar dagen cel. So what? En wie beschuldigt mij?’
‘John...’
‘Een van m'n collega's probeert me zwart te maken, en ik wil weten wie!’
‘Dat kan ik niet zeggen, dat weet je.’
‘Is het Marc?’
Rothuizen keek John strak aan. ‘Jezus John, als jij meer weet, wat dan ook, zeg dan wat. Dan kunnen we samen bedenken hoe we verder gaan.’
John wendde zijn hoofd af en beet op zijn lip. Hij probeerde helder te denken, maar zijn hoofd zat vol woede, voornamelijk tegen zichzelf gericht. Uiteindelijk nam hij de beslissing die hij al lang had voelen aankomen. Hij stond op en liep naar de deur. Daar draaide hij zich om. ‘Doe geen moeite. Ik ga niet afwachten tot iemand het mes in m'n rug nog eens omdraait.’
* * *
John was aangenaam verrast door het eten. Bij de politie bestond het meestal uit een aantal bakken gevuld met onduidelijke massa’s; meestal gingen ze dan ook direct naar een afhaalzaak. Maar hier bleek de maaltijd van een hele andere orde: er was een hoop keus en het rook allemaal heerlijk. Paella, couscous, een pastagerecht en nog allerlei losse vlees- en visgerechten. Hij pakte een bord en schepte het vol pasta. Hij had er een lange dag op zitten, en was tussendoor niet echt aan eten toegekomen.
Kiani stond even voor hem en was in gesprek geraakt met de kok, een donkere man met kort grijzend kroeshaar. John realiseerde zich dat hij verder nauwelijks Afrikanen had gezien op het platform.
Hij voelde iets tegen zijn been botsen. Hij keek om en zag tot zijn verbazing een jongen van een jaar of 6 staan. Het kind wierp hem een korte, neutrale blik toe en draaide zich toen naar de balie waar het eten klaarstond. Hij ging op zijn tenen staan om het beter te kunnen zien.
John keek rond in de kantine, op zoek naar een ouder, maar het was nog niet erg druk. Aan een tafeltje in het midden zaten drie mannen te eten, en aan de kant van de ruimte het verst van de deur zaten er nog twee. John sprak de jongen aan. ‘Is je vader of moeder hier?’
Het kind leek licht geïrriteerd dat John hem stoorde in zijn bezigheden. ‘Wie ben jij?’ vroeg hij.
‘Ik ben John. En jij?’
‘John...’ zei het joch, schuin omhoog kijkend alsof het hem ergens aan herinnerde.
‘Wat is jouw naam?’
De jongen keek naar John’s schoenen. ‘Remy gaat weg.’
‘Heet jij Remy?’ vroeg John wat ongeduldig. Hij was nooit goed geweest in omgaan met kinderen.
Een beslist hoofdschudden.
‘Zijn hier nog meer kinderen? Is Remy een vriendje van je?’
Hetzelfde ontkennende gebaar.
John besloot het te laten rusten. ‘Ga maar naar je vader of moeder toe, okee? Ik ga even eten.’ Hij draaide zich om en schepte nog wat vlees op zijn bord.
Kiani was inmiddels uitgepraat met de kok en keek met ontzag naar zijn bord. ‘Zo! Kan je dat allemaal op?’ Zelf had ze wat minder opgeschept dan John, maar ze had wel van elk gerecht wat.
‘Wist jij dat hier ook kinderen aan boord waren?’ vroeg hij.
‘Kinderen? Hier? Dat lijkt me sterk.’
‘Er was hier net een jochie, hier achter me. Heb jij hem niet gezien?’ John draaide zich om, maar het kind was nergens meer te bekennen.
‘Hè? Wat raar.’
‘Ja, geen ideale plek hier lijkt me. Zullen we daar zitten?’
De geuren die van het eten af waren gekomen bleken niets teveel beloofd te hebben. Hij vroeg haar waar ze het over had gehad met de kok.
‘Hij had vroeger zijn eigen restaurant in Bata, op het vasteland. Maar daar werd hij te oud voor, zei hij. En dit verdient beter.’
‘Daar hebben we geluk mee. Het is echt heerlijk.’
‘En jij? Waar werkte je hiervoor, en waarom besloot je hier te solliciteren?’
John nam snel een hap om tijd te winnen. Al kauwend kwam hij tot een besluit. Het had geen zin om het te verzwijgen. ‘Ik zei dat ik in de beveiliging zat, maar dat is nog maar kort. Daarvoor werkte ik bij de politie.’
‘En dat beviel niet meer?’
‘Nee joh, teveel papierwerk.’
‘Oh? Ik hoorde dat dat juist een stuk minder geworden was de laatste jaren.’
‘Ach, ik was gewoon klaar met die wereld. En hoe ik hier terecht komt... da’s min of meer een toevalligheid. Een advertentie. Net als jij, toch?’
‘En... getrouwd? Kinderen?’ vroeg ze.
‘Geen kinderen. Ik ben weduwnaar.’
Ze legde haar bestek neer en keek hem bezorgd aan. ‘Wat naar voor je. Lang geleden?’
‘Ongeveer twee jaar. We waren net een jaar getrouwd.’
‘Verschrikkelijk. Was ze ziek, of...’
John keek naar zijn bord en zei niets. Meteen verontschuldigde Kiani zich. ‘Sorry, dat had ik niet moeten vragen. Het spijt me.’
‘Het is okee. Het was een ongeluk.’
‘Oh, wat erg. Dat is ook zo plotseling.’
‘Ja.’
‘Sorry hoor. Niet echt een luchtig gesprek voor aan tafel. Dat is een beetje een beroepsdeformatie ben ik bang, mensen meteen uithoren over hun verleden.’
‘Maakt niet uit.’
Ondanks de verontschuldigingen was de ontspannen sfeer tussen hen verdwenen, en de rest van de maaltijd spraken ze nauwelijks meer met elkaar. John baalde ervan dat hij ineens zo dichtklapte, terwijl hij toch wist dat dit onderwerp vroeg of laat ter sprake zou komen. Maar hij was er van geschrokken hoe makkelijk hij haar dingen vertelde; hij zou zo het hele verhaal met haar willen delen.
Plotseling werd het geroezemoes in de kantine verbroken door een harde sirene. Iedereen keek op; sommigen sprongen direct op en renden naar de trap. Over de intercom klonk de stem van Robin. ‘Man overboord! MOB-team klaarmaken! Man overboord!’
* * *
‘Heeft u cognac?’ klonk een stem naast John. Hij keek opzij. Er stond een grijzende man in een trenchcoat met daaronder een net pak. John had hem aan een tafeltje zien zitten toen hij binnenkwam. Hij zou nauwelijks méér uit de toon kunnen vallen tussen de andere gasten van dit ranzige café.
De barman pakte zwijgend een fles van de plank. De nieuwkomer keek even vorsend naar het etiket. ‘Doet u maar een glas mineraalwater.’ Zijn stem klonk nogal deftig.
De barman pakte een ander, nogal beduimeld glas, hield het onder de kraan in de spoelbak en zette het met een klap op de bar.
De man in pak keek er even misprijzend naar en sprak toen John aan. ‘Mag ik u iets vragen?’
‘Als het moet.’ antwoordde John.
‘Wat is er mis met uw whisky? U heeft er nog niet aan genipt.’
‘Ik drink koffie.’
‘En de whisky houdt u daarbij gezelschap?’
‘De whisky houdt tenminste z’n mond.’
De man keek even bedachtzaam voor zich uit en knikte. Toen hees hij zich, tot John’s ergernis, op een kruk. ‘Ik zit hier om mijn vrouw te mijden. Normaal zijn onze agenda’s zo vol dat we elkaar nauwelijks zien, maar ze zit nu ziek thuis.’
John zei niets en hoopte dat de man de hint nu eindelijk begreep.
‘En u, meneer Borghart? Wie probeert u te vermijden?’
John draaide zich om en keek de man fel in de ogen. Die keek terug met een kalme, zelfverzekerde blik. John stond op, gooide tien euro op de bar en liep naar buiten.
De man kwam hem achterna, de koude nacht in. ‘Meneer Borghart, mijn naam is Jeremy. Ik heb een voorstel voor u.’
John draaide zich om, greep de man bij zijn kraag en duwde hem tegen de muur. ‘Voor wie werk je? Wat willen jullie van me?’
De man verzette zich niet, en John liet hem weer los. Onverstoorbaar sprak hij verder. ‘Ik werk voor niemand. Mensen werken voor mij. Ik wil dat u daar één van wordt.’
‘Laat me raden. Je zoekt iemand om “rekeningen te innen”.’
De man glimlachte naar hem, en zei even niets. Toen vervolgde hij: ‘U ziet mij aan voor een crimineel. Dat komt doordat u uw hele leven bent omringd door criminelen. Daardoor maakt u ook steeds de verkeerde beslissingen.’
John had geen antwoord meer. Hij staarde Jeremy aan in totale verwarring. Die deed een stap dichterbij en pakte zijn hand. Achter hem scheen de warme gloed van het café.
‘U bent geen slecht mens. Iedereen maakt fouten. Ik wil u een kans bieden om die fouten goed te maken.’
John werd gegrepen door emoties. Op de een of andere manier landden de woorden van deze man direct in zijn onderbewustzijn. ‘Sommige fouten zijn niet meer goed te maken.’ wist hij met moeite uit te brengen.
Jeremy legde een hand op zijn schouder en keek hem vriendelijk in de ogen. ‘De tijd terugdraaien wordt lastig, John, maar het is nooit te laat voor vergeving.’
* * *
Toen John en Kiani buiten kwamen, was de zon onder. Het platform was een baken van licht geworden in de donkere oceaan. Op diverse plekken werd koortsachtig gewerkt. Er werd een motorbootje met een paar man te water gelaten en een stukje verderop schenen er een paar met een groot zoeklicht op het water.
De rest van de bemanning stond op een afstandje te kijken. John vroeg wat er gebeurd was.
‘Er is er een vanaf gedonderd. Verder weten wij ook niks.’ zei een stevige man met een flinke baard.
Een jongere man kwam uit de richting van de schijnwerpers lopen. ‘Het is Bavelaar! Ik zie het aan z’n pak.’
‘Bavelaar? Die heeft ons net rondgeleid.’ zei Kiani. ‘Hij zei net dat hij alleen nog even ging douchen voor het eten!’
‘Zo te zien had hij toch liever een bad.’ klonk een stem ergens uit de groep, snel gevolgd door ‘Auw!’ toen de spreker blijkbaar een elleboog in zijn zij kreeg.
‘Ze zijn er snel bij, dus het komt wel goed.’ zei de bebaarde man sussend.
De jonge man schudde zijn hoofd. ‘Het zag er niet goed uit. Hij dreef op zijn buik en bewoog niet.’
Ralph kwam aanlopen van de plek waar de motorboot werd uitgezet. Hij sprak Kiani aan.
‘Je hebt het gehoord?’
‘Ja. Ik hoop dat alles goed komt. Jullie hebben hier een speciale medicus toch?’
Ralph aarzelde even. ‘Die is... niet beschikbaar. Ik ben bang dat we een beroep op jou moeten doen. Je bent toch ook arts?’
Kiani’s gezicht betrok. ‘Oh. Ik... eh...’
‘Sorry, ik had het je eerder moeten vertellen. Maar dit verwachtte ik niet.’
‘Natuurlijk. Ik doe m’n best.’
Ralph liep weer terug om de reddingsoperatie in de gaten te houden. Ze zagen nu ook Robin, die aanwijzingen riep naar het reddingsteam beneden.
John probeerde haar gerust te stellen. ‘Ik kan ook helpen, ik heb EHBO gehad een paar jaar terug.’
Ze keek hem aan, ineens een stuk minder zelfverzekerd dan hij haar de rest van de dag had meegemaakt. ‘Dank je. Ik hoop dat ik wat kan doen voor hem.’
Een paar minuten verstreken. Toen werd een kraan met een brancard naar beneden gelaten. Even later kwam hij omhoog, met Bavelaar erop.
Ralph wenkte Kiani. John liep mee. De brancard werd op het dek neergelaten. Ze hurkten naast het lichaam van de jongen die hen net nog enthousiast had rondgeleid. Kiani voelde aan zijn nek.
‘Zijn hart klopt nog. Ik ga beademen.’ Ze boog zich over Bavelaar en kantelde voorzichtig zijn hoofd naar achteren.
Het leek een eeuwigheid te duren, maar in werkelijkheid was het waarschijnlijk maar een paar minuten geweest, dacht John.
Kiani keek op, opgelucht. ‘Hij ademt zelf weer.’
‘Gaat hij het halen?’ vroeg Ralph.
‘Ik denk het wel. Als hij maar niet teveel water heeft binnengekregen. Ik moet even bellen met een collega om te overleggen. Ik heb geen ervaring met verdrinkingsslachtoffers.’
Ralph knikte. ‘Natuurlijk, kom maar mee. Ik moet ook zijn ouders inlichten.’
Robin had al die tijd zwijgend naar de jongen op de brancard gekeken. Nu keek hij op. ‘Dat doe ik.’ zei hij resoluut. Kiani en hij liepen richting het gebouw. Toen stond hij stil en keek om. ‘Ik weet zijn voornaam niet eens meer. We noemen hem altijd gewoon Bavelaar.’
Ralph lachte flauwtjes. ‘Oja... Hij heeft een hekel aan z’n naam. Remy heet hij. Remy Bavelaar.’
# Hoofdstuk 2
Kiani werd zich langzaam bewust van vreemde kleuren, geluiden en geuren om zich heen. Ze opende haar ogen half en keek de kamer in.
Wat doe ik hier?
Een paar seconden nog groeide haar verbazing. Toen herinnerde ze zich hoe ze gisteravond uitgeput deze kamer was binnengekomen, haar kleren had uitgetrokken en zich met haar laatste krachten in het bovenste bed had gehesen. Tegen alle verwachting in bleek het bed een prima matras te hebben, en ze was vrijwel direct in slaap gevallen. Helaas voelde ze zich nu nauwelijks uitgerust. Ze had het idee dat ze een serie nachtmerries had gehad waar ze zich nu niets meer van herinnerde behalve een vaag, ongemakkelijk gevoel ergens in de meer primitieve delen van haar hersenen.
Nu keek ze waar ze eigenlijk terechtgekomen was. Vanuit het bed kon ze de kleine ruimte goed overzien. De ene muur bestond uit smalle kastjes en een plank met een oud TV’tje er op. Aan de andere kant stond een bureau. De hele ruimte was verder bezaaid met kleding, make-up, lege flesjes, boeken en tijdschriften. Ze vroeg zich af hoe iemand zo’n troep kon maken van dit kleine beetje persoonlijke ruimte dat je hier had. Het was haar duidelijk dat ze zich in deze kamer niet snel thuis zou voelen, tenzij ze radicaal zou opruimen. En van de ruzies die ze vroeger met haar moeder had gehad, wist ze dat dat waarschijnlijk geen goed idee was.
Ze keek naar beneden over de rand van het bed. Het onderste bed lag er nog net zo bij als ze het gevonden had: onopgemaakt, en vol spullen: een tas en een aantal boeken. Haar kamergenote was hier vannacht dus niet geweest. Ze bekeek de boeken nu wat beter. De meeste hadden een saaie, egale kaft. Ze kneep met haar ogen om de titels te kunnen lezen: “Evolutie van oceaan-ecosystemen”, “Diepzee-habitats”. Eén boek viel haar op. Er stond een grote foto van een octopus op de kaft, met twee uitpuilende ogen en lange tentakels vol zuignappen. De titel van het boek, “Seks, drugs en zeeslijm”, klonk fascinerend, maar ook nogal onsmakelijk.
Ze realiseerde zich dat ze honger had. Doordat het diner gisteravond zo plotseling verstoord was, was ze aan eten niet meer toegekomen. Ze had helemaal geen zin om op te staan. Maar haar maag sprak duidelijke taal en duldde geen tegenspraak. Ze zwaaide haar benen onder het dekbed vandaan, ging zitten en sprong van het bed af. Ze wist nog net twee vrije plekjes voor haar voeten te vinden op de vloer. Tot haar afschuw bleek deze echter te plakken.
Ze haalde haar koffer onder het bed vandaan, en vond al snel haar pantoffels en zijden kamerjas. Blij om iets vertrouwds om zich heen te hebben, trok ze ze aan. Toen ze haar toiletspullen en handdoek had gevonden, stond ze op en opende de deur. Ze keek even naar buiten en de gang was leeg. Ze liep snel een stukje de gang door en vond al snel de doucheruimtes. Ze had een vage angst dat in een mannenwereld als deze misschien geen aparte damesbadkamer was, maar die bleek gelukkig ongegrond. Ze opende de deur en stapte naar binnen in een kleine ruimte met twee wastafels. In de volgende ruimte hoorde ze een douche lopen. Misschien haar mysterieuze kamergenote?
Ze keek even in de spiegel. Ze zag er nog moe uit, zoals verwacht. Door haar gevlochten haar werd de vogelverschrikker-look, waar haar broer haar vroeger regelmatig mee had gepest, haar gelukkig wel bespaard. Ze pakte een paar flesjes uit haar toilettas, stapte uit haar pantoffels en liep naar de doucheruimte.
Er waren twee douches. De eerste was vrij. Ze zag dat de douchehokjes alleen tussenschotten hadden, geen deuren, wat haar irriteerde. Ze overwoog om te wachten tot de andere vrouw klaar was, maar besloot dat ze dat geen twee maanden kon blijven doen. Tegenover de douches was een stang om kleding op te hangen, waar al twee handdoeken op hingen. Ze liep er heen en wilde haar kamerjas uittrekken toen ze een vrouwenstem achter zich hoorde.
‘Hee, we hebben bezoek!’ Kiani draaide zich om en zag twee mensen onder de tweede douche staan, een man en een vrouw. De vrouw was iets ouder dan Kiani; de man een stuk jonger. Zo te zien kwamen ze net uit een innige omhelzing. Kiani voelde haar wangen gloeien; ze was niet heel preuts aangelegd, maar dit ging haar wel erg ver.
De jonge man keek verbaasd om naar Kiani. De vrouw draaide zijn hoofd terug, gaf hem een snelle zoen en duwde hem weg. “Hop, wegwezen jij!” Zijn hand voor zijn kruis houdend, greep hij een handdoek en boxershort van de stang naast Kiani, keek haar even schaapachtig grijnzend aan en rende toen druipend nat de gang op.
De vrouw keek hem na en grinnikte even. ‘Dat was Bobby. Sorry hoor, ik ben gewend dat dit mijn privébadkamer is.’ Ze had halflang rood haar en was vrij stevig gebouwd. Zonder enig teken van gêne stapte ze naar Kiani toe, droogde haar hand af aan haar handdoek en stak hem uit. ‘Ik ben Simone.’
Kiani was nog steeds van haar stuk gebracht en aarzelde even, maar schudde toen toch maar haar hand. ‘Kiani.’
Simone leek ineens te zien dat ze zich ongemakkelijk voelde. Ze glimlachte en pakte haar handdoek. ‘Ik zal je wat privacy geven. Ik ben toch klaar.’
Ze liep naar de aangrenzende ruimte en begon zich af te drogen, met haar rug naar Kiani toe. Kiani ontspande, trok haar kamerjas en ondergoed uit en stapte onder de douche. Toen begon Simone op luide toon tegen haar te praten. ‘Ze hebben je zeker bij mij op de kamer gezet? Ik hoop dat je geen last van de rommel had.’
‘Valt wel mee.’ loog Kiani. Het liefst wilde ze gewoon even rustig douchen, maar Simone praatte gewoon door.
‘En wat brengt jou hierheen?’
‘Ik ben psychiater.’
Simone stak haar verbaasde hoofd om de muur. ‘Psychiater?’
Kiani begon zich te ergeren aan haar opdringerigheid. Simone zag het blijkbaar aan haar gezicht. ‘Sorry! Ben al weg.’ zei ze, en verdween inderdaad weer uit beeld. Maar ze praatte meteen verder. ‘Wat kom je hier doen dan?’
‘Eigenlijk weet ik het niet precies.’
‘Wow, ik dacht dat ík impulsief was. Je hebt zomaar een baan op zee aangenomen zonder een idee wat hij inhoudt.’
‘Ralph zei over de telefoon dat hier wat problemen waren en dat hij een psychiater nodig had om ze te analyseren. Het klonk intrigerend.’ zei Kiani.
Simone lachte schamper. ‘Wat problemen? Dat is een mooi understatement. Iedereen wordt hier langzaam gek.’
‘Hè? Hoe bedoel je?’
‘Nou ja, gek. We zitten hier maanden met elkaar op zee, er zijn wel eens incidenten. Zoals dat gedoe gisteren bijvoorbeeld. En je moet al een beetje gek zijn om hier überhaupt te komen. Maar dat hoef ik jou niet te vertellen.’
‘En waarom ben jij hier?’ zei Kiani. Het klonk bitser dan ze bedoeld had. Blijkbaar voelde ze zich toch een beetje aangevallen door Simones opmerkingen.
‘Ha! Je kunt het op twee manieren beschrijven. De ene is dat ik mijn roeping volg. Ik ben al van kind af aan gefascineerd door het leven in de diepzee. Dit is biologisch gezien een interessant stuk oceaan, dus ideaal voor mijn research.’
Het woord ‘roeping’ raakte Kiani op de een of andere manier. Ze had graag het gevoel van een roeping gehad in haar leven. Het klonk veilig, vertrouwd, iets waar je nooit aan hoefde te twijfelen.
‘Wat is de andere manier?’ vroeg ze.
Simone aarzelde niet. ‘Dat ik mijn idealen verkwansel om het imago van oliemaatschappijen op te vijzelen.’
Een paar seconden was het stil. Toen klonk Simones stem weer, nu verder weg.
‘Ik moet m’n boot halen. Doei!’
* * *
Februari 1997
Kiani zat languit op de bank met de opengeslagen atlas rustend op haar bovenbenen. Toen ze voetstappen in de gang hoorde, haalde ze haar voeten van de bank en ging rechtop zitten.
Haar moeder kwam de kamer binnen. Ze was een opvallende verschijning in haar grijze krijtstreeppak en lichtblauwe blouse. Het kleurde perfect bij haar donkere huid, en ze had een bijpassende zelfverzekerde uitstraling waar Kiani altijd jaloers op was.
Ze keek goedkeurend naar het grote boek. ‘Zo, aan het leren voor aardrijkskunde?’
‘Nee, zomaar wat aan het bladeren.’
Haar moeder keek naar de opengeslagen bladzijde, een kaart van de Nederlandse Antillen. Haar gezicht veranderde nauwelijks van uitdrukking, maar toen ze verder praatte, klonk haar stem gespannen.
‘Heb je de studiefolders al bekeken?’
‘Nog niet.’
‘Rechten in Utrecht staat goed bekend.’
Kiani reageerde niet.
‘Of iets anders. Maar je moet nu wel een keuze maken.’
‘Ik weet niet. Ik kijk van het weekend wel.’
‘Uitstellen heeft geen zin, Kiani.’ zei haar moeder. Ze liep de open keuken in en begon de afwas op te ruimen.
‘Waarom zijn we eigenlijk nooit terug geweest naar Curaçao?’ vroeg Kiani.
Haar moeder keek om. ‘Waarom zouden we? Jullie zijn hier opgegroeid, hebben hier je vrienden.’
‘Ik bedoel niet verhuizen. Gewoon een keer op vakantie.’
Een zucht. ‘Drie retourtjes Curaçao zijn niet goedkoop.’
‘Oma heeft vaak aangeboden onze tickets te betalen.’
‘Niks daarvan. Ze heeft zelf nauwelijks genoeg geld.’
‘Als we zo arm zijn, waarom kan ik dan wel gaan studeren?’ vroeg Kiani. Ze sloeg luidruchtig bladzijden van de atlas om, zonder te kijken.
‘We zijn niet arm. Maar we moeten wel keuzes maken.’
Ze ging weer liggen en duwde haar voeten tegen de leuning. ‘Misschien wil ik wel helemaal niet studeren. Ik ga gewoon werken. Dan spaar ik zelf voor een ticket.’
‘Doe niet zo raar. Een goeie opleiding is veel belangrijker dan een zonvakantie.’
Woedend sprong ze overeind. De atlas kletterde op de grond. ‘Zonvakantie? Jij begrijpt er helemaal niks van! Ik ben daar geboren, maar ik weet er nauwelijks wat van, omdat jij niet terug wilt!’
‘Kiani!’
‘Waarom hebben we nauwelijks contact met onze familie? Waarom staat hier niks dat aan onze afkomst herinnert?’
‘Luister jongedame, ik heb hard gewerkt om jou kansen te geven die ik niet had, en jij bent alleen maar brutaal en nog te beroerd om een paar folders te lezen!’
‘Het heeft met mijn vader te maken, hè? Jij denkt dat ik het me niet meer herinner, maar ik weet het nog precies! We zijn stiekem ‘s nachts weggegaan, en ik heb hem nooit meer gezien! Daarom durf je niet meer terug!’
Het was stil. Haar moeder staarde haar een paar seconden ontzet aan. Toen keek ze weg. ‘Geloof me, je bent beter af zonder hem.’ zei ze zacht.
‘Lafaard!’ riep Kiani en stormde de gang op.
* * *
‘Daar zul je haar hebben!’ hoorde Kiani toen ze de deur van de kantine opende. Van binnen klonk gelach. Aan een van de tafels zat een groep mannen in overalls. De een na de ander draaide zich om.
‘Hee, Bavelaars nieuwe vlam! Als ik in het water spring, krijg ik dan ook mond-op-mond?’ Weer bulderde de hele tafel van het lachen. Ze negeerde hen en liep naar de balie. Iemand floot toen ze voorbijliep.
In de keuken werd alweer druk gewerkt. Er stonden bakken klaar met alle mogelijke soorten energierijk voedsel. Normaal at ze hoogstens een boterham of twee, maar nu schepte ze een bord vol met roerei en een schaaltje met fruit. Ze ging zitten aan een leeg tafeltje met een krant erop. Ze trok hem naar zich toe. Hij was twee dagen oud; toch begon ze hem te lezen terwijl ze in rap tempo de inhoud van haar bord wegwerkte.
De werkers aan de andere tafel stonden op en vertrokken. Uit haar ooghoek zag ze dat er eentje overbleef. Ze keek even opzij en zag dat het John was. Ze had hem niet direct herkend tussen de andere mannen.
John kwam aan haar tafeltje staan. ‘Let maar niet op ze. Ik weet niet waarom ze zo vervelend doen.’
Ze bleef de krant bestuderen. ‘Ze zijn gestrest door het ongeluk gisteren, en dat reageren ze af met humor. Als nieuwkomer en een van de weinige vrouwen ben ik een makkelijk doelwit.’
‘Ik onderschrijf uw diagnose, waarde confrère. Wat schrijft u voor als behandeling?’ zei John met deftige stem.
Ze keek op, lachend. ‘Sorry. Ik heb m’n dag niet geloof ik. Slecht geslapen.’
‘Koffie?’ vroeg hij, alvast richting de automaat in de hoek lopend.
‘Graag.’
De deur vloog open en Ralph kwam de kantine binnen. ‘Ah, daar zijn jullie. Mooi.’
Hij nam hen mee naar de ziekenboeg. Een sterke geur van ontsmettingsmiddel overdonderde haar. Ze was gisteravond blijkbaar te druk bezig geweest met Bavelaar om dat te merken.
In het midden van de kamer lag Bavelaar op een stretcher. ‘Ze hebben ‘m om beurten in de gaten gehouden vannacht. Geen verandering.’ zei Ralph.
Ze keek bezorgd en voelde aan zijn pols. ‘Als hij niet snel bij bewustzijn komt, moet hij echt naar het ziekenhuis.’
‘Natuurlijk. Helemaal mee eens.’ zei Ralph afwezig. Hij was meteen naar een medicijnkabinet gelopen achter in de kamer, had een cijfercode ingetoetst en keek nu vorsend naar de verschillende potjes. Kiani zag uit haar ooghoek dat hij er iets uitpakte en bij zich stak.
John ging voor hem staan en keek hem doordringend aan. ‘Ralph, tijd voor wat uitleg. Ik ben gisteren bijna geraakt door een pijpleiding, en Bavelaar is overboord gegaan. Wat is hier aan de hand?’
Ralph zuchtte. ‘Ik weet het niet. Daarom heb ik jullie erbij gehaald. Er hangt de laatste weken een rare sfeer. Er gebeuren ongelukken, apparatuur houdt er zonder aanleiding mee op...’
‘Waar denk je aan? Iemand die de boel saboteert?’
‘Dat is een mogelijkheid. Maar ik heb reden om aan te nemen dat er meer aan de hand is. Ik wil dat jullie twee een onderzoek instellen.’
‘Ik begrijp nog steeds niet zo goed waarom je speciaal een psychiater nodig hebt.’ zei Kiani.
‘De politie gebruikt toch ook profilers? Ik hoopte dat jij met jouw expertise iets kon zeggen over het karakter van een eventuele saboteur. Oh, en ik wou je ook vragen om tijdelijk als eerstehulparts op te treden.’
Kiani knikte langzaam. Het idee stond haar niet bepaald aan, maar onder de omstandigheden had ze weinig keus. ‘Ik ben er niet specifiek voor opgeleid natuurlijk, maar ik doe m’n best. Wat is er nou met jullie vaste arts aan de hand?’
‘Ron Middenburg. Ja, daar wil ik ook graag jullie hulp bij hebben.’ Ralph opende een la van het kleine bureautje tegen de muur en pakte er een boek uit. ‘Hij hield een soort dagboek bij. Kunnen jullie het lezen en jullie interpretatie geven?’
‘Wacht even, je zei dat hij niet beschikbaar was. Waar is hij nu dan?’
Ralph keek even naar de grond en haalde diep adem. ‘Sorry, dat hebben we stil gehouden om geen paniek te creëren. Dokter Middenburg is dood. Robin vond hem hier eergisteren in een plas bloed.’
* * *
‘Okee, dus je pa is een psychopaat.’ Lara gooide verveeld een tennisbal tegen het plafond en ving ‘m weer op.
‘Wat? Waar heb je het over?’ zei Kiani. Ze zat op de grond, met haar rug tegen de radiator. Lara lag ernaast op een oud matras. Er hing een kelderlucht in de kamer. Hier en daar staken spijkers uit de houten vloer.
Lara was haar beide ouders kwijtgeraakt toen ze zeven was, had tientallen pleeggezinnen versleten, en was vorig jaar bij haar vriend ingetrokken in dit kraakpand. Kiani was een van haar weinige vriendinnen: iedereen in de klas negeerde dat rare, onvoorspelbare meisje, maar Kiani was juist door haar geïntrigeerd.
Ze praatte verder alsof het de normaalste zaak van de wereld was. ‘Je moeder komt erachter dat hij een seriemoordenaar is, hij komt haar achterna met een bijl, zij slaat ‘m bewusteloos, sluit ‘m op in de kast en neemt jou mee naar Nederland.’
‘Je bent echt gek.’ zei Kiani.
‘Dat zeggen ze. Maar ik heb er pillen tegen.’
‘Hoe gaat het daarmee?’
‘Fantastisch. Ik heb al weken niemand aangevallen. Erg rustgevend. Als je ook wilt...’ zei Lara, wijzend op een lege bierkrat met een wit potje erop.
‘Ben je nog bij je psychiater geweest?’
‘Ik ga niet meer. Die creep vroeg de hele tijd alleen maar naar mijn seksleven. De kwijl droop bijna van zijn kin.’
‘Er bestaan toch ook goeie psychiaters? Kan je niet naar een vrouw gaan?’
‘Oja, veel beter. Dan krijg je het bezorgde-moedertype, of de manipulerende bitch. Ik heb mijn bingokaart wel vol zo langzamerhand.’
Kiani had sterk het gevoel dat Lara haar niet de hele waarheid vertelde. Ze pakte het potje pillen en draaide het bedachtzaam om in haar handen, wat een kletterend geluid maakte. ‘Wat als ze op zijn? Je kunt ze niet bij de drogist halen.’
Geen reactie.
‘Je neemt ze niet meer, hè?’
Lara keek opzij. ‘Wat? Het potje is half leeg, dat hoor je toch?’
‘Volgens mij is je psychiater helemaal niet zo’n monster als je zegt. Maar je bent gestopt met je pillen, en je wilt niet dat hij daar achter komt. Daarom ga je niet meer.’
Ze keek weer weg. ‘Pfff. Waarom wordt je zelf geen psychiater? Je kan zo beginnen.’
‘Oja? Welk type zou ik zijn, de bezorgde moeder of de manipulerende bitch?’ vroeg Kiani.
Ze antwoordde niet maar gooide de tennisbal hard de gang op. Er klonk een geluid van brekend servies.
‘Oeps.’ zei Kiani.
Lara haalde haar schouders op. Even was het stil. Toen vroeg ze: ‘Heb je al door haar spullen gesnuffeld?’
‘Wat?’
‘Ergens moet toch wel de naam van je vader staan.’
‘Ik kan toch niet zomaar haar papieren gaan lezen?’ vroeg Kiani, een beetje geschokt.
‘Waarom niet? Ze vertelt jou toch ook niks?’
Wat ging er mis?
Als ik het bovenstaande teruglees, ben ik niet ontevreden met wat ik destijds (in 2011) geschreven heb. Waarom ben ik er dan mee gestopt?
Overblijfselen was in feite mijn ode aan de TV-serie Lost. Kijk maar naar de structuur: elk hoofdstuk heeft een focus-personage die iets meemaakt in het heden en in een flashback. En de mysteries: iedere vraag die beantwoord wordt, levert weer 'n nieuwe op. En ook Lost had science fiction elementen die steeds prominenter werden.
Als onervaren schrijver is het natuurlijk niet verstandig om een TV-serie met 20 personages en 6 seizoenen te imiteren. Zelfs het professionele schrijversteam achter Lost slaagde er uiteindelijk niet in om dit tot een voor iedereen bevredigend eind te brengen.
Ik had ook beter moeten plannen. Ik had wel veel research gedaan en ideeën en vragen opgeschreven, maar nooit definitief besloten welke gebeurtenissen achtereenvolgens het begin, midden en eind zouden vormen. Daardoor zat ik tijdens het schrijven voortdurend te twijfelen hoe het verder moest en kwam ik vast te zitten.
Wat was ik van plan?
Voor wie nieuwsgierig is naar hoe het ongeveer allemaal in elkaar stak, een overzichtje.
Ten eerste: dit was altijd bedoeld als science fiction, ook al komt dat in het begin niet heel duidelijk naar voren. Uiteindelijk ging het over een bijzondere delfstof waarmee mensen telepatische gaven konden krijgen. Verder bestonden er diepzeewezens die geëvolueerd waren om deze stof te gebruiken, en uiteindelijk zelfs telepatisch met mensen konden communiceren.
Zo'n stof zou uiteraard onbetaalbaar zijn, en dus was er een "slechte" partij die hem voor zichzelf probeerde te bemachtigen (de eigenaars van het olieplatform) en een "goede" partij die probeerde deze wezen te beschermen.
De mysterieuze man die John benadert, Jeremy, zou later blijken de vader van zowel Kiani als Ralph te zijn, en de leider van de "goeden". Ralph zou de "slechterik" zijn; hij wilde wraak op zijn vader omdat hij zich verwaarloosd voelde als kind.
Uiteraard zou er een romance ontstaan tussen John en Kiani. Ook hun beider verleden zou uitgebreid terugkeren. Van John zou aan bod komen: zijn gewelddadige vader, zijn moeizame loopbaan bij de politie en zijn verwikkeling (tegen wil en dank) in de georganiseerde misdaad, waardoor uiteindelijk zijn vrouw om het leven kwam.
Kiani had lang gezocht naar haar vader, hem uiteindelijk gevonden en zich laten overtuigen om voor zijn organisatie te werken. Verder had ze een trauma opgelopen toen ze als psychiater in opleiding haar vriendin met psychische problemen probeerde te helpen, maar niet kon voorkomen dat die zich uiteindelijk toch van het leven beroofde (of was het toch moord...?).
Hoe zou ik het nu doen?
Voor wie nog niet is afgehaakt, een gedachtenexperiment: valt er iets te redden?
Kijkend naar de overdaad aan personages, thema's, flashbacks, etc., gecombineerd met mijn gebrek aan ervaring, zou ik in elk geval kiezen voor één hoofdpersoon, niet twee.
Waarschijnlijk zou ik voor Kiani kiezen. Haar karakter en achtergrond intrigeert me het meest. John's karakter kwam nooit geweldig uit de verf. Hij zou wel als bijfiguur en love interest kunnen functioneren.
Kiani's problemen zouden de drijfveer van het verhaal vormen. Ze voelt zich bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de heftige gevolgen van sommige van haar keuzes, en vertrouwt haar instinct hierdoor niet meer. Uiteindelijk moet ze zich realiseren dat ze haar best gedaan heeft en dat ze wel degelijk een goede psychiater en een goed mens is. Wat haar karakterontwikkeling ook zou zijn, het verhaal zou zo moeten lopen als het loopt door wie zij is, niet omdat ik dat als plot bedacht heb.
De delfstof en de diepzeewezens zijn een beetje teveel van het goede wat mij betreft; ik zou een van de twee kiezen. Ik denk dat het telepathie-aspect best kan werken in combinatie met Kiani's beroep als psychiater.
Leuk om een keer op een rijtje te zetten, maar wat mij betreft is dit verhaal af, ook al is het onvoltooid.